Wezel

Wezel, Mustela nivalis

(foto: www.vogeldagboek.nl)

Samen met de andere marterachtigen: das, otter, hermelijn, bunzing, nerts en de boom- en steenmarter, vormt deze familie van marterachtigen de grootste groep landroofdieren in Nederland. De wezel is het kleinste roofzoogdier ter wereld. Een vrouwtjeswezel weegt slechts 35 gram, lichter dan een veldmuis. Ze zijn zelfs zó klein, dat ze muizen tot in hun gangenstelsels kunnen achtervolgen. De vrouwtjes zijn daarmee een stuk kleiner dan de mannetjes.
Wezels hebben een roodachtig tot kastanjebruine rugzijde en een witte buikzijde, waarbij de grens tussen de kleuren onregelmatig is. De wezel voedt zich voornamelijk met muizen, kikkers en insecten maar valt ook grotere zoogdieren aan zoals konijnen en vogels. Als wezels jagen, achtervolgen ze prooien zoals kleine knaagdieren tot in hun hol. De dieren eten ongeveer een derde van hun lichaamsgewicht aan voedsel per dag. De dieren zijn zowel 's nachts als overdag actief, waarbij de dieren onregelmatig rustperiodes nemen. Vaak staan wezels op hun achterpoten om de omgeving te verkennen.
Wezels leven solitair. Het territorium van een mannetje overlapt meestal meerdere territoria van vrouwtjes. Het hol is vaak een oud hol van een gedood prooidier. Het nest wordt in koudere streken bedekt met de vacht van prooidieren. Vrouwtjes leggen in de zomer voedselvoorraden aan, waardoor ze minder hoeven te jagen en energie sparen voor de dracht.
In april en mei is de eerste worp, na een draagtijd van 34 tot 37 dagen. De wezel kent geen verlengde draagtijd zoals vele andere marterachtigen. Bij voldoende voedsel is er in juli en augustus een tweede worp. Per worp krijgen de dieren 4 tot 6 jongen. Dit getal kan variëren van één tot zes jongen per worp. Als de jongen acht weken oud zijn, kunnen ze al goed jagen.
De jonge dieren zijn geslachtsrijp na 5 tot 7 maanden. Jongen uit het eerste nest kunnen in de eerste winter een eigen nestje hebben.